Eind januari boog het Vlaams Parlement zich over het Vlaams actieplan ter preventie van gewelddadige radicalisering, extremisme en terrorisme. Een passage die stelt dat Vlaanderen geen subsidies mag geven aan organisaties die gewelddadig extremisme ondersteunen, klinkt op het eerste gezicht logisch. Ook de Verenigde Verenigingen onderschrijven dat uitgangspunt. Maar wie de concrete uitwerking leest, belandt al snel in juridisch drijfzand. Wat begint als gezond verstand, dreigt uit te monden in rechtsonzekerheid en een verzwakking van het maatschappelijk middenveld.

Vier commissies, één actieplan

Op 27 januari bespraken een kleine veertig parlementsleden, verspreid over vier commissies, het actieplan dat de Vlaamse regering midden oktober goedkeurde. Het plan loopt tot en met 2029 en vormt de praktische uitwerking van het Radicaliseringsdecreet van 22 maart 2024. Doel is onder meer de rol van steden en gemeenten te verankeren en de Vlaamse ondersteuning structureel vast te leggen. De bevoegde ministers zijn Zuhal Demir, Hilde Crevits en Caroline Gennez.

Geen Vlaamse steun voor gewelddadig extremisme

markus spiske cf5kl7vcf6u unsplash 1Bijna helemaal achteraan in het plan staat een actie met de titel: “geen Vlaamse steun voor gewelddadig extremisme”. Logisch, zou je denken. Maar de uitwerking roept fundamentele vragen op. In de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën zou een bindende clausule worden ingevoerd die toelaat subsidies te weigeren, te schorsen of definitief in te trekken van organisaties die betrokken zijn bij, of gewelddadig extremisme ondersteunen of bepleiten.

Bij een vermoeden van betrokkenheid kan een subsidie onmiddellijk worden geschorst, nog vóór enige vaststelling van feiten. In afwachting van verdere verificatie zouden veiligheidsdiensten zoals OCAD of de VSSE het dossier onderzoeken. Wordt het vermoeden bevestigd, dan volgt een definitieve uitsluiting. Het signaal kan komen van de bevoegde administratie en vakminister, maar ook van Inspectie Financiën of de minister van Begroting.

Vage criteria, zware gevolgen

Volgens de Verenigde Verenigingen zou het helpen om gewelddadig extremisme te bestrijden met maatregelen die ondubbelzinnig in lijn liggen met de rechtsstaat en de grondrechten. Veiligheid en grondrechten hoeven geen tegenpolen te zijn.

Net daar wringt het schoentje. Het actieplan laat in het midden wat precies wordt verstaan onder “betrokkenheid”, “ondersteuning” of “bepleiten” van extremisme. Daardoor weten organisaties niet langer waar de grenzen liggen. Activiteiten die eigen zijn aan het middenveld—zoals het organiseren van debatten, het uitnodigen van externe sprekers of het innemen van een kritisch standpunt—kunnen plots als problematisch worden bestempeld.

Bovendien kan de overheid al ingrijpen op basis van signalen of vermoedens, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing of duidelijke mogelijkheid tot verdediging. Dat creëert een klimaat van onzekerheid, waarin organisaties zwaar gesanctioneerd kunnen worden zonder te weten waarop ze afgerekend worden.

Chilling effect op het middenveld

De impact van zulke maatregelen is niet abstract. Zelfs een “tijdelijke” schorsing van subsidies kan organisaties financieel verlammen, personeel doen ontslaan of projecten stopzetten. De reputatieschade is vaak blijvend zeker als zou blijken dat het vermoeden onterecht was. Daarbovenop dreigt een zogenaamd chilling effect: uit schrik voor sancties vermijden verenigingen gevoelige thema’s of temperen ze hun kritische stem in het publieke debat.

Dat staat haaks op de rol die het middenveld net moet spelen in de preventie van radicalisering: verbinden, nuanceren en het democratisch gesprek voeden. Vandaag zijn er al signalen dat die druk zwaar weegt op vrijwilligers en medewerkers.

Parlementaire vragen, weinig antwoorden

In de commissie verdedigde minister Demir de maatregel als “alleen maar gezond verstand”. Volgens de Verenigde Verenigingen is die redenering te lichtzinnig. Het bestrijden van (steun aan) gewelddadig extremisme is alleen gezond verstandig als de maatregelen tegelijk doeltreffend én stevig verankerd zijn in rechtszekerheid.

Parlementsleden uit verschillende (oppositie-)fracties uitten bezorgdheden en stelden kritische vragen. Zij verwezen hierbij naar de nota van de Verenigde Verenigingen. Geruststellende antwoorden bleven uit. “De Raad van State zal wel oordelen of het goed is uitgewerkt”, klonk het bij minister Demir. Minister Gennez benadrukte haar geloof in een sterk, door de overheid ondersteund middenveld, maar gaf aan “de lijn te trekken bij het promoten of faciliteren van geweld”.

Over de concrete zorgen—vage criteria, ingrijpen op basis van vermoedens en het ontbreken van rechterlijke toetsing—bleef het voorlopig stil. Duidelijk is wel dat deze achilleshielen het onderwerp zullen blijven van juridisch, maatschappelijk en politiek debat.

 

Wie de vergadering opnieuw wil bekijken, dat kan hier.

En hier vind je het Vlaams actieplan ter preventie van gewelddadige radicalisering, extremisme en terrorisme