Het federaal regeerakkoord kondigt de herziening van de fiscaliteit voor non-profitorganisaties aan. Ons land telt talloze vzw’s die zich inzetten voor maatschappelijke doelen, van jeugd, sport en cultuur tot solidariteit en erfgoed. Deze organisaties, gedragen door vrijwilligers, en vaak financieel ondersteund door leden, donateurs en subsidies, streven ernaar om al hun middelen te investeren in hun statutaire missie. Maar vzw’s worden geconfronteerd met fiscale uitdagingen die hun werking bemoeilijken.

In de schoot van de Verenigde Verenigingen werkte een werkgroep van middenveldsectoren en -organisaties hierover een standpuntnota uit. De nota benadrukt de noodzaak om middelen die bestemd zijn voor maatschappelijk belang ook daadwerkelijk daar naartoe te laten vloeien, in plaats van ze af te romen via complexe en onvoorspelbare fiscale regels. De nota roept op tot meer rechtszekerheid en voorspelbaarheid, het vermijden van bestraffing van goed financieel beheer (zoals het bezit van onroerend goed of het aanhouden van reserves), en het introduceren van proportionele sanctionering bij onbedoelde fouten.

pdfDownload hier de nota of lees hem integraal hieronder

Kernpunten voor een betere fiscaliteit voor vzw’s[1]

[1] In deze nota wordt gefocust op vzw’s, maar sommige punten gelden ook voor andere IZW’s (= instellingen zonder winstoogmerk, zijnde vzw’s, internationale vzw’s, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut).

Basisuitgangspunt: middelen voor een maatschappelijk belang ook effectief naar dat maatschappelijk belang

België is een land rijk aan maatschappelijk engagement. Burgers zetten zich overal in voor talloze vzw’s die lovenswaardige belangeloze doelen nastreven, sociaal weefsel versterken, noden van burgers verlichten en de overheid ondersteunen of aanvullen in haar taken: sportverenigingen, jeugdverenigingen, (socio)culturele initiatieven, erfgoedverenigingen, initiatieven van nationale en internationale solidariteit, zorg en welzijn, sociaal werk, duurzame ontwikkeling en milieubescherming,…

Middelen verkrijgen voor deze initiatieven vergt steeds verenigde inspanningen van velen: vrijwilligers organiseren jaar naar jaar spaghettislagen, donateurs schenken plichtsgetrouw een deel van hun maandloon omdat ze geloven in de meerwaarde van het belangeloos doel van de vzw, organisaties dienen kwalitatieve subsidiedossiers in bij bevoegde overheden,…

Deze vzw’s hebben voor deze middelen één doel: geen winst uitkeren, maar al hun middelen inzetten voor het belangeloos doel waarvoor ze zijn opgericht.

Daarom de oproep: laat middelen bestemd voor een bepaald maatschappelijk belang ook effectief gaan naar dat maatschappelijk belang. Vzw’s steunen eerlijke fiscaliteit en zijn bereid bij te dragen, maar een systematische en overdreven belasting van middelen van vzw’s, waardoor deze middelen niet kunnen gaan naar het maatschappelijk belang waarvoor ze bedoeld waren, is niet de oplossing. Dit zou ingaan tegen de wensen en intenties van de burgers en bovendien ook getuigen van beleidsincoherentie, gezien overheden vzw’s in toenemende mate aansporen meer met “eigen middelen” te werken, hetgeen moeilijk wordt wanneer diezelfde overheid deze middelen afroomt én tegelijk obstakels opwerpt om eigen middelen te verwerven en optimaal te gebruiken.

Regelgeving op maat: de ene vzw is de andere niet

We stellen vast dat er vaak verschillen zijn tussen vzw’s, in activiteit, in omvang, met of zonder personeel (en in het aantal personeelsleden), in omzet, in de mate dat ze economische activiteiten ontwikkelen,…

Die grote diversiteit vergt ook wetgeving die, waar relevant, rekening houdt met deze wezenlijke verschillen. In het licht hiervan moeten specifieke vrijstellingen voor kleine vzw’s zeker overwogen worden. Ook op andere vlakken moet er rekening gehouden worden met de kenmerken van de vzw.

Rechtszekerheid en voorspelbaarheid is essentieel

Hét grote deficit in de huidige fiscale regeling voor vzw’s is het gebrek aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid. Vzw’s pogen zich correct fiscaal in te schalen, maar onduidelijkheden in de regelgeving zorgen voor heel wat onzekerheid en soms drama’s achteraf.

Ten eerste is er het welbekende onduidelijke onderscheid tussen de rechtspersonenbelasting enerzijds en de vennootschapsbelasting anderzijds, waarbij veel interpretatieruimte wordt gelaten aan de fiscale administratie.

In een eventuele nieuwe fiscale regelgeving moeten rechtszekerheid en voorspelbaarheid voorop staan: een vrijwilliger of medewerker van een vzw moet, op basis van objectief vaststelbare criteria neergelegd in de regelgeving, onomstotelijk kunnen bepalen of de vzw onder de rechtspersonen- of onder de vennootschapsbelasting valt. De huidige situatie is niet duurzaam, vanuit een rechtszekerheidsperspectief problematisch én bovendien kostelijk voor de overheid.

Dit is zeker geen pleidooi voor één enkel fiscaal regime voor zowel vennootschappen als verenigingen, hetgeen de diverse realiteit en finaliteit van beide actoren zou ontkennen, maar wel een pleidooi voor een helder en juist onderscheid tussen beiden, met als doel rechtszekerheid en voorspelbaarheid.

Naast het onderscheid tussen de rechtspersonen- en de vennootschapsbelasting zorgt ook de btw-regelgeving voor heel wat kopzorgen en onzekerheid: vaak is het onduidelijk of een vzw btw-plichtig is of niet (de grens is onduidelijk en eveneens voor interpretatie vatbaar). Meer info: https://regulitis.be/btw-voor-vzws/ 

Tot slot pleiten we er ook voor dat, waar mogelijk, over de verschillende belastingen en regelgevingen heen, begrippen zo uniform mogelijk worden gedefinieerd en dat wanneer uitzonderingen uit het ene stelsel in het andere stelsel worden binnengetrokken dit consistent gebeurt.

Meer algemeen, over de verschillende belastingen waaraan vzw’s onderworpen zijn heen (vb. inzake btw), houden we ook een pleidooi voor gelijke interpretatie en behandeling door inspectie- en taxatiediensten in het hele land. Heel wat vzw’s getuigen van de grote verschillen naargelang de plaats bij het beoordelen en controleren van vzw’s. Dit creëert een gevoel van ongelijkheid en willekeur. Op dit vlak is er zeker meer afstemming nodig.

Geen disproportionele sanctionering bij vergissing

Wanneer een vzw een verkeerde aangifte doet, bijvoorbeeld in de rechtspersonenbelasting terwijl ze eigenlijk aangifte had moeten doen in de vennootschapsbelasting, en hierbij geen kwaad opzet in het spel was, pleiten we ten volle voor proportionele sanctionering. Fouten in de aangifte worden in de realiteit doorgaans effectief veroorzaakt door vergissingen ten gevolge van de onduidelijke regelgeving (zie hierboven), niet omwille van frauduleuze doeleinden. Toch worden vzw’s vaak zeer hard gestraft, met zware terugvorderingen en boetes, wat helaas soms het einde betekent van de vzw, hetgeen uiteraard zeer betreurenswaardig is voor alle mensen voor wie de vzw een belangrijke rol speelde.

We pleiten er dan ook ten volle voor dat het “recht op vergissing”, dat gradueel haar ingang vindt in de fiscaliteit, ook ingebouwd wordt in de fiscaliteit van vzw’s.  We verwijzen hierbij ook graag naar het regeerakkoord, dat het voorzien in “het recht op een fout wanneer de belastingplichtige te goeder trouw is” actief naar voren schuift.

Een bijkomend probleem is tot slot het fenomeen van herinterpretatie door de fiscus. Wanneer de fiscus overgaat tot herinterpretatie, dan mag dit niet met terugwerkende kracht gelden en mag deze dus ook niet met terugwerkende kracht vorderen.

Geen bestraffing van goed (financieel) beheer

Eind 2023 werd de patrimoniumtaks hervormd van een vlak tarief van 0,17% naar een progressief tarief (0,15 % op de schijf van €50.000 tot €250.000, 0,30 % op de schijf van €250.000 tot €500.000, 0,45% op de schrijf boven €500.000) (ter herinnering: bij invoering bedroeg de taks slechts 0,10%).

Alhoewel er zeker begrip is voor de omvorming naar een progressief tarief en de wil om meer vermogenden meer te laten bijdragen, zit er een constructiefout in het ontwerp.

Ten eerste zijn er namelijk heel wat vzw’s die, soms via een schenking of legaat, een onroerend goed (en/of roerende goederen) in eigendom hebben van waaruit of waarmee ze hun activiteiten voor het maatschappelijk belang ontplooien. Een onroerend goed in eigendom hebben is iets positief, gezien hierdoor geen middelen van de vzw moeten gaan naar de huur van lokalen (= meer middelen naar het belangeloos doel). Nu is het zo dat eigenaarschap van een onroerend goed, zeker in een centrumstad, de vzw al snel doet vallen in de 0,30%- en/of 0,45%-schijf, waardoor ze de facto gestraft wordt voor het hebben van een onroerend goed, hetgeen niet logisch is gezien het bovenstaande. Het is bovendien belangrijk eraan te herinneren dat de meeste vzw’s, net als elke eigenaar, reeds belast worden op dit onroerend goed via de onroerende voorheffing: het betreft hier dus eigenlijk een dubbele belasting. Dubbele belasting moet niet enkel hier, maar in het geheel van een toekomstige non-profit fiscaliteit vermeden worden.

Ten tweede zullen vzw’s van een bepaalde omvang, met het oog op goed financieel beheer, ervoor zorgen dat ze beschikken over gepaste reserves om zo eventuele financiële schokken, veroorzaakt door externaliteiten (maar ook steeds vaker door overheden zelf), in te dekken. Zo is er met name het sociaal passief, dat bedoeld is om aan de sociaalrechtelijke verplichtingen te kunnen voldoen ingeval van ontslag van personeel. Gezien dit (gelukkig maar) geen geld is dat jaarlijks rolt, zal ook deze vorm van goed financieel beheer ervoor zorgen dat de vzw al snel in de 0,30%- en/of 0,45%-schijf terecht komt.

Om deze vormen van de facto bestraffing van goed financieel beheer[1] uit de wet- en regelgeving te verwijderen, zijn diverse (eventueel gecombineerde) oplossingen mogelijk:

  • het optrekken van de grenzen van de schijven, waardoor je minder snel in de hogere schijven terecht komt
  • het vrijstellen van één onroerend goed of zelfs van alle bezittingen ter ondersteuning van het belangeloos doel van de vzw (eventueel begrensd tot een bepaald bedrag of een bepaalde aard)
  • onroerende goederen waarin de activiteiten worden ontplooid, net zoals al het geval is voor het geld op zichtrekeningen dat tijdens het jaar wordt gebruikt voor de activiteiten van de vzw, laten kwalificeren als werkingsmiddelen die niet hoeven opgenomen te worden in de belastbare grondslag

Tot slot verwijzen we ook nog even naar de context waarin de patrimoniumtaks, de taks ter vergoeding van successierechten, ontstaan is: de vzw op alternatieve wijze belasten, omdat deze niet dood gaat en er op het vermogen van de vzw dus ook geen successierechten kunnen betaald worden. Als de hoofdoelstelling van successierechten sociale herverdeling is, moet er dan wel een patrimoniumtaks zijn die ingrijpt op het vermogen van die organisaties die hun middelen sowieso inzetten voor een maatschappelijk doel? Dit doet minstens oproepen tot terughoudendheid en matiging.

Administratieve lasten beperken

Tot slot is het ook belangrijk de administratieve last gekoppeld aan de fiscaliteit van vzw’s zoveel als mogelijk te beperken, opdat vrijwilligers en medewerkers van vzw’s zich ten volle kunnen richten op de kernactiviteiten van de vzw. Een belangrijk aandachtspunt dat zeer logisch klinkt, maar soms toch vergeten wordt. Zeker in zeer kleine vzw’s, waar geen personeel aanwezig is en waar alle administratie dus opgenomen wordt door vrijwilligers, kunnen administratieve lasten zeer zwaar doorwegen op de werking en het vrijwilligersengagement.

Dat het regeerakkoord inzet op administratieve vereenvoudiging, ook voor verenigingen, is alvast een positief signaal. We rekenen er dan ook op dat dit effectief vertaald wordt naar beleid en praktijk.

Graag verwijzen we in deze context ook naar de website https://regulitis.be/, waar enkele belangrijke vormen van administratieve last, onder andere op het vlak van fiscaliteit, meer in detail besproken worden.

[1] Naast het aspect van goed financieel beheer is er ook het specifieke geval van erfgoedverenigingen, die objecten en patrimonium redden van de teloorgang en, soms dankzij giften of crowdfunding, restaureren om deze voor de gemeenschap en het maatschappelijk belang te bewaren. Is het werkelijk de bedoeling om deze goederen te belasten en dan nog eens aan hun venale waarde, waarbij bijvoorbeeld het gildezilver van een boogschuttersgilde, erfgoed van de vereniging, op basis van de marktprijs van zilver wordt belast?