integriteitsdecreetDe Vlaamse regering wil strenger optreden tegen gewelddadig extremisme en subsidiefraude. Maar de voorgestelde maatregelen dreigen ook organisaties te treffen die volkomen te goeder trouw handelen. Dat lezen we in een kritisch advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). Het voorontwerp van decreet moet dan ook grondig worden bijgestuurd. De Verenigde Verenigingen deelt deze bezorgdheid. Want wie onze democratische rechtstaat wil beschermen, moet ook de spelregels ervan respecteren.

Begin dit jaar trok de Verenigde Verenigingen al aan de alarmbel over de plannen van de Vlaamse regering om radicalisering en extremisme aan te pakken. Niet omdat we het doel in vraag stelden, integendeel, wel omdat “het bestrijden van (steun aan) gewelddadig extremisme alleen gezond verstandig is als de maatregelen tegelijk doeltreffend én stevig verankerd zijn in rechtszekerheid.”

Intussen zijn de plannen van de Vlaamse regering concreter geworden. Een nieuw voorontwerp van decreet wil op twee fronten nieuwe maatregelen nemen.

Ten eerste wil de regering dat subsidies niet terechtkomen bij “personen of organisaties die betrokken zijn bij, steun verlenen aan of oproepen tot gewelddadige radicalisering, gewelddadig extremisme of terrorisme”. Àlle subsidiedossiers (die langs de Inspectie Financiën passeren) moeten gecheckt worden bij het OCAD en de federale politie, net zoals de lopende dossiers waarop een toezicht wordt uitgeoefend. Levert die check een “hit” op, dan volgt er een integriteitsonderzoek. Dat kan uiteindelijk leiden tot het weigeren, schorsen of terugvorderen van subsidies.

Ten tweede komt er een algemene regeling om subsidiefraude ook bestuurlijk te bestraffen wanneer strafrechtelijke vervolging uitblijft.

Op het eerste gezicht logisch, zo lijkt het, maar… wat gebeurt er als de gehanteerde begrippen niet duidelijk genoeg zijn? Wanneer een organisatie wordt afgerekend op het gedrag van een individuele medewerker? Of wanneer subsidies worden geschorst terwijl nog helemaal niet vaststaat dat er iets verkeerd is gelopen?

Over deze en andere kwesties maakt de SERV zich in zijn advies grote zorgen.

Wanneer wordt een organisatie verdacht?

De SERV is opvallend scherp over de onduidelijkheid van het voorontwerp. Begrippen als 'gewelddadig extremisme', 'gewelddadige radicalisering', 'rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen' en 'misbruiken of laten misbruiken' worden onvoldoende gedefinieerd. Daardoor krijgen overheden volgens de SERV een te grote interpretatieruimte.

Dat is geen theoretisch probleem. Stel dat een vereniging een zaal verhuurt aan een groep waarvan later iemand bij extremistische activiteiten betrokken blijkt. Of dat een medewerker buiten de werkuren controversiële uitspraken doet. Of dat bij een vreedzame betoging iemand aanwezig is die bekendstaat bij de politie. Kan de vereniging daarvoor verantwoordelijk worden gesteld? Het voorontwerp biedt daarover onvoldoende duidelijkheid.

De SERV vraagt daarom uitdrukkelijk om in het decreet vast te leggen dat de rechtmatige uitoefening van grondrechten nooit op zichzelf een negatieve integriteitsindicatie kan zijn. Het gaat onder meer om de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en het recht op vreedzaam protest.

Een signaal is nog geen bewijs

Een tweede fundamentele bezorgdheid betreft de zogenaamde hit/no-hitcontrole. Daarbij wordt nagegaan of een subsidieaanvrager bekend is bij het OCAD of de politie. Maar wat betekent 'bekend zijn' precies? Op basis van welke informatie? En hoelang blijft die informatie bewaard?

De SERV benadrukt dat een positieve hit op zichzelf geen bewijs van betrokkenheid bij extremisme of terrorisme vormt. Zo'n signaal mag op zichzelf nooit volstaan om subsidies te weigeren of in te trekken.

Ook de selectie van organisaties voor controles achteraf moet volgens de SERV gebeuren op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria. Een politieke vraag of een ongefundeerde melding mag op zichzelf nooit voldoende zijn om een controle op te starten.

Die waarschuwing raakt aan een fundamenteel principe: overheidstoezicht moet gebaseerd zijn op feiten en duidelijke regels, niet op vermoedens, willekeur of politieke gevoeligheden.

Eerst schorsen, dan onderzoeken?

Het voorontwerp voorziet voor gesubsidieerde organisaties dat (verdere) betalingen tijdens een integriteitsonderzoek worden opgeschort, voor maximaal vijftig werkdagen. Dat kan bijzonder ingrijpende gevolgen hebben voor organisaties die voor hun dagelijkse werking afhankelijk zijn van subsidies.

Wat als daardoor lonen niet meer kunnen worden betaald? Wat als projecten moeten worden stopgezet? En wat als achteraf blijkt dat de verdenking ongegrond was?

De SERV vraagt om af te stappen van een automatische opschorting. In elk individueel geval moet worden nagegaan of die maatregel werkelijk noodzakelijk en proportioneel is. Bovendien moet er een regeling komen voor herstel of compensatie wanneer een onterechte schorsing schade heeft veroorzaakt.

Ook bij terugvorderingen en boetes moet rekening worden gehouden met de ernst van de feiten, de omvang van de organisatie en de concrete omstandigheden.

Wie beslist? De SERV vraagt een onafhankelijke instantie

Een ander opvallend punt in het SERV-advies betreft de beslissingsmacht. Volgens het voorontwerp zou de Vlaamse Regering zelf de eindbeslissing nemen in individuele integriteitsdossiers.

De SERV vindt dat principieel geen goed idee. Beslissingen die zulke zware gevolgen kunnen hebben, horen volgens de raad thuis bij een onafhankelijke en onpartijdige administratieve instantie, die losstaat van zowel de politieke overheid als de onderzoekers.

Gezond verstand vraagt ook rechtszekerheid

Ook het tweede luik van het voorontwerp, de bestrijding van subsidiefraude, krijgt stevige opmerkingen. De raad waarschuwt hier voor een beleid dat te eenzijdig inzet op controle en bestraffing. Eenvoudige regelgeving, begeleiding en stabiele beleidskaders kunnen veel fouten voorkomen. Bovendien vraagt de SERV om de gevolgen van de nieuwe maatregelen voor organisaties beter in kaart te brengen en de toepassing ervan periodiek te evalueren.

Kortom, net zoals de Verenigde Verenigingen begin 2026, vraagt nu ook de SERV vanzelfsprekend niet om de strijd tegen extremisme of subsidiefraude af te zwakken. Ze vraagt wél om de voorgestelde maatregelen grondig te herwerken, met duidelijke begrippen, proportionele sancties, onafhankelijke besluitvorming en stevige waarborgen voor grondrechten.

Niet alleen in het belang van verenigingen, maar ook in het belang van een overheid die vertrouwen wil verdienen.